Terug
RapportnummerRA-2016-003
TitelNaar een hervormde rijopleiding
OndertitelStudie naar de effectiviteit van modellen en deelcomponenten voor de opleiding rijbewijs categorie B
AuteursKris Brijs
Karin Van Vlierden
Ariane Cuenen
Veerle Ross
Judith Urlings
Ellen Jongen
Katrien Declercq
Tom Brijs
Geert Wets
UitgaveSteunpunt Verkeersveiligheid 2012-2015
Aantal pagina's339
Datum03/10/2016
ISBN
Taal van het documentNederlands
Partner(s)Universiteit Hasselt
WerkpakketAndere:
Samenvatting
Het institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming van België bevatte de overdracht van bevoegdheden inzake de rijopleiding, de rijscholen en de examencentra van het federale naar het Vlaamse niveau. Met het oog op een hervorming van de bestaande rijopleiding (categorie B) voerde het Steunpunt Verkeersveiligheid een beleidsadviserend onderzoek uit naar de effectiviteit van het huidige model in Vlaanderen en van reeds bestaande modellen in het buitenland.
 

Een blik op de huidige rijopleiding

De huidige rijopleiding in Vlaanderen is mono-gefaseerd. Men doorloopt die ene fase op ‘seriële’ wijze: men dient eerst te slagen op het theorie examen om dan op basis van een voorlopig rijbewijs aan de praktijkstage te kunnen beginnen.µ
 
De kandidaat-bestuurder kan kiezen tussen 2 trajecten. Bij het voorlopig rijbewijs (VRB) 36 maanden geldt een minimum instapleeftijd van 17 jaar, een steeds geldende verplichting om onder lekenbegeleiding te rijden en een vrijblijvende mogelijkheid om aanvullend praktijklessen in een rijschool te volgen. Bij een VRB 18 maanden geldt een minimale instapleeftijd van 18 jaar, een verplichting tot het volgen van minimaal 20u praktijkles bij de rijschool en de toelating om met uitzondering van bepaalde restricties zelfstandig te rijden.
 
In het geval dat de kandidaat-bestuurder slaagt op het praktijkexamen, loopt de 1e fase af en komt men in het bezit van een voorwaardelijk rijbewijs dat toestemming geeft om onder bepaalde voorwaarden (i.e., nultolerantie overtredingen 3e & 4e graad) zelfstandig te rijden. Zonder strafmaatregel die verplicht tot herneming van het theorie- en/of praktijkexamen, verwordt het voorwaardelijk rijbewijs na 2 jaar automatisch tot een definitief rijbewijs waarbij geen voorwaarden meer gelden.
 
18 tot 26 jarigen hebben gedurende de eerste 5 jaar volgend op het behalen van het (voorwaardelijk) rijbewijs de vrijblijvende keuze om nog een vervolmakingscursus (i.e., On the Road) te volgen.  
 

Studie naar de effectiviteit van de huidige rijopleiding

De effectiviteit van de huidige rijopleiding werd op verschillende niveaus bekeken en spitste zich vooral toe op eventuele variatie inzake effectiviteit ten gevolge van het type VRB (i.e., 18 maanden vs. 36 maanden). Om het verband tussen het type VRB en ongevallenbetrokkenheid en –risico NA het behalen van het (voorwaardelijk) rijbewijs te bepalen, werd gebruik gemaakt van reeds beschikbare gegevens op basis van zelfrapportage.
 
Daarnaast werd de invloed van het type VRB ook onderzocht op het slaagpercentage voor het praktijkexamen, de rijstijl (i.e., het aantal overtredingen & het aantal afgelegde kilometers), de ongevallenbetrokkenheid en de oefenactiviteiten (i.e., spreiding, tijdstip, locatie en begeleiding) TIJDENS de stageperiode.
 
Dit gebeurde eveneens op basis van zelfrapportage gegevens die door middel van een (quasi-experimentele) gestructureerde face-to-face bevraging werden verzameld door de Groepering van Erkende Ondernemingen voor Autokeuring & Rijbewijs (GOCA) bij 961 kandidaat-bestuurders die zich voor de eerste maal aandienden voor het praktijkexamen. De afname van deze enquête vond plaats tijdens de zomermaanden van 2015 en spreidde zich over 7 examencentra in Vlaanderen.
 
Samenvattend konden we op basis van de resultaten besluiten dat er weinig effectiviteitscriteria zijn die onderling verschillen in functie van het type VRB. Het ongevallenrisico NA het behalen van het (voorwaardelijk) rijbewijs wordt voornamelijk beïnvloed door de hoeveelheid rijervaring en lijkt niet te variëren in functie van het type VRB. Meer in het bijzonder blijkt dat in de eerste duizenden kilometers NA het behalen van het (voorwaardelijk) rijbewijs er een sterk verhoogd risico is, dat eerst zeer scherp en daarna geleidelijk aan daalt.
 
Slaagpercentages op het praktijkexamen lijken evenmin significant te verschillen tussen beide types VRB. Het slaagpercentage (en meer bepaald dan een hoger slaagpercentage) wordt voorspeld door: het centrum waar men examen aflegt, het gebruik van een wagen van de rijschool als examenvoertuig, het gezelschap van een rijinstructeur als begeleider tijdens het examen en een langere duurtijd van de stageperiode.
 
Zowel het aantal overtredingen als het aantal ongevallen TIJDENS de stageperiode is laag voor beide types VRB. Een proportioneel hoger aantal overtredingen en ongevallen voor kandidaten met een VRB 18 maanden mag niet los van een hoger aantal afgelegde oefenkilometers gezien worden. Spreiding van en frequentie waaraan men oefent op verschillende tijdstippen en locaties verschilt evenmin tussen beide types VRB.
 
Opvallend is dat een grote hoeveelheid kandidaten uit beide groepen vrijwillig de lekenbegeleiding combineert met professionele instructie. Zo volgt bijna 60% van de kandidaten met een VRB 36 maanden een aantal uren praktijkles bij een professional, ook al hebben zij daartoe geen verplichting. Andersom geeft ruim 50% van de kandidaten met een VRB 18 maanden aan dat zij minstens regelmatig met begeleiding rijden, terwijl zij met uitzondering van bepaalde omstandigheden zelfstandig mogen rijden.
 

Een blik op de internationale literatuuur

Een analyse van de beschikbare internationale literatuur inzake de effectiviteit van systemen en modellen voor de rijopleiding in het buitenland, laat een 7-tal trends zien die in variërende mate empirische ondersteuning krijgen:
 
Trend 1: Fasering van rijbewijs & opleiding
 
Voornamelijk onder impuls van studies naar de effectiviteit van Graduated Driving License (GDL) systemen zoals die in de Angelsaksische landen vaak voorkomen, wint de idee van een in aparte fases opgedeeld traject tot het behalen van een definitief rijbewijs aan populariteit. Het onderliggend kernidee is dat men kandidaat-bestuurders eerst steeds onder begeleiding (i.e., Leerfase) en daarna door middel van beschermende maatregelen slechts geleidelijk aan blootstelt aan de meest risicovolle verkeerssituaties (i.e., Oefenfase) alvorens onbeperkte zelfstandigheid toe te laten (i.e., Beginnersfase).
 
In de Europese literatuur benadrukt men veel meer het belang van het eigenlijke ‘leren veilig en defensief rijden’ naast de geleidelijke blootstelling aan gevaren. Opleiding en dan meer in het bijzonder, de stapsgewijze opbouw van het leer- en oefentraject, wordt sterk gepromoot. Dit bracht er vele landen reeds toe om van mono-gefaseerde opleidingstrajecten (waarbij me slechts aan opleiding doet voorafgaand aan het behalen van een voorwaardelijk rijbewijs) over te gaan naar 2-fasige opleidingstrajecten, waarbij kandidaat-bestuurders zich na het behalen van het voorwaardelijk rijbewijs nog verder dienen te vervolmaken.
 
Trend 2 : Verlenging van de doorlooptijd
 
Steeds meer landen (zowel binnen Europa als daarbuiten) verlengen de duurtijd van de rijopleiding. Deze verlenging wordt gerealiseerd door zowel de fase voorafgaand aan het behalen van het voorwaardelijk rijbewijs te verlengen (dit komt dan vaak neer op een verlaging van de minimale instapleeftijd, meestal dan tot 16 jaar) als door toevoeging van een tweede fase die volgt op het behalen van het voorwaardelijk rijbewijs (meestal op de leeftijd van 18 jaar). De doelstelling die men hierbij voor ogen heeft is 2-ledig: een verlenging van de eerste fase laat toe om rijvaardigheden voldoende te automatiseren terwijl de toevoeging van een tweede fase toelaat om complexere ‘hogere orde vaardigheden’ verder te ontwikkelen.
 
Trend 3 : Wederzijdse versterking lekenbegeleiding & professionele instructie
 
Het streven naar een verlenging van de oefenperiode samen met het expliciet onderschreven belang van een goed uitgebalanceerd en voldoende kwaliteitsvol leer- en oefentraject verklaren dat men voornamelijk binnen de Europese literatuur in toenemende mate pleit voor een combinatie van lekenbegeleiding en professionele instructie. Het streefdoel daarbij is om kandidaat-bestuurders, lekenbegeleiders en professionele instructeurs meer als een team te laten samenwerken.
 
Trend 4 : Ondersteuning van lekenbegeleiders
 
Ook al zijn de resultaten niet eenduidig, er zijn indicaties dat lekenbegeleiding een veilige manier kan zijn om meer rijervaring op te doen.  Dit is echter sterk afhankelijk van de technische en pedagogische kwaliteit van de lekenbegeleiding en van voldoende variatie wat betreft de oefentijdstippen en -locaties. Onderzoek toont aan dat lekenbegeleiders zelf aangeven dat zij niet altijd voldoende onderlegd zijn in of voldoende vertrouwd zijn met het uitzetten van een goed gestructureerd leertraject. Tevens blijkt dat zij niet steeds voldoende zelfvertrouwen hebben in hun pedagogische vaardigheden om ook in de moeilijkere rijomstandigheden op gepaste wijze hun kandidaat te coachen.
 
Daarom pleit men voornamelijk in Europese onderzoeken voor voldoende ondersteuning van lekenbegeleiders doorheen de eerste fase van de rijopleiding. Zo hanteren reeds verschillende Europese landen (e.g., het Oostenrijkse L17-model) een systeem waarbij men de eerste fase van de opleiding start binnen de rijschool om daarna over te gaan tot het rijden onder lekenbegeleiding waarbij men kandidaat-bestuurders en begeleiders van het begin af aan en op verschillende momenten doorheen de eerste fase professioneel opvolgt, coacht en ondersteunt alvorens kandidaten het praktijkexamen afleggen en zich dan verder bekwamen tijdens een vervolmakingstraject waarbij professionals hen verder bekwamen in de meer complexe technische competenties en hogere orde vaardigheden.
 
Trend 5 : Ondersteuning van het leerproces
 
Zeker indien men naar een model wil evolueren waar rijinstructeurs, lekenbegeleiders en kandidaat-bestuurders verwacht worden als een team samen te werken, is het van cruciaal belang dat men onderling overleg pleegt en tot wederzijdse afstemming komt. Omdat in landen met een GDL-systeem de lekenbegeleiding steeds een vaste component is geweest, heeft men vooral in die regio’s geëxperimenteerd met manieren om lekenbegeleiders en kandidaat-bestuurders te ondersteunen tijdens het leerproces. Hierbij heeft men allerhande concepten reeds beproefd, gaande van logboeken en samenwerkingscontracten tot vormingscursussen en multimedia materialen.
 
In de betrokken literatuur wordt stilaan meer en meer gewezen op het potentieel van voertuig-technologisch ondersteunde systemen en digitale feedbackplatformen die een systematische registratie van incidenten en een periodiek rapport van rijpatronen bieden. Dergelijke platformen zijn namelijk multifunctioneel (ze kunnen zowel registrerend, als educatief en handhavend worden ingezet) en zijn meer geschikt om eventueel bedrog tegen te gaan. Effectstudies tonen aan dat dergelijke systemen invloed kunnen hebben op het rijgedrag van jonge bestuurders.
 
Trend 6 : Hogere orde vaardigheden
 
Sinds het verschijnen van de Goals for Driver Education (GDE) matrix is er een verhoogde aandacht uitgegaan naar de zogenaamde hogere orde vaardigheden. Behoudens de bevinding dat het aanleren van dergelijke vaardigheden om een coachende eerder dan een instructie gebaseerde benadering vraagt (cf. HERMES) waarbij men afziet van klassieke leermethoden en meer gebruik maakt van pedagogische formats zoals groepsdiscussie, peer educatie, rollenspel, trial & error, et cetera (cf. ADVANCED, RUE), blijft het niet steeds duidelijk hoe men ongewenste neveneffecten (zoals optimistische vertekening door overschatting van eigen vaardigheden en onderschatting van objectieve risico’s) kan voorkomen (cf. BASIC, NovEV).
 
Eveneens blijft er onenigheid bestaan over wanneer precies binnen het leertraject men dergelijke vaardigheden best aan bod laat komen. In landen met een 2-fasige opleiding concentreert men zich tijdens de tweede fase voornamelijk op hogere orde vaardigheden. Desalniettemin pleit men ervoor om hogere orde vaardigheden daar waar het kan al vroeger aan bod te laten komen dan pas tijdens de vervolmakingsfase. Het gebruik van een transparant geformuleerd en logisch opgebouwd curriculum met meetbare eindcompetenties en ondergeschikte leerdoelen wordt aanbevolen als een manier om de integratie van hogere orde vaardigheden binnen de rijopleiding beter te omkaderen.
 
Uiteraard dient de examinering afgestemd te zijn op de eindcompetenties die de opleiding beoogt. In het verlengde van de aanbevolen opname van hogere orde vaardigheden binnen de opleiding, is het een logische verwachting dat hogere orde vaardigheden ook onderdeel uitmaken van de examinering. Wat dat betreft, blijft het onduidelijk op welke manier men hogere orde vaardigheden   betrouwbaar en valide kan toetsen.
 
Trend 7 : Risicoperceptie
 
Wetenschappelijk onderzoek wijst erop dat gevaarherkenning wel degelijk getraind en verbeterd kan worden, met gunstige effecten op de verkeersveiligheid. Ook al wordt het belang van gevaarherkenning alom erkend, het blijft nog steeds onduidelijk hoe en in welke mate gevaarherkenning ook effectief aan bod komt binnen de opleiding.
 
Wat betreft de examinering maken testen voor gevaarherkenning al onderdeel uit van het examen in 2 Europese landen (e.g., Nederland en de UK), 5 Australische staten en Nieuw-Zeeland. Ondertussen experimenteren ook verschillende andere Europese landen met dergelijke testen (e.g., België, Frankrijk, Duitsland). Hierbij kan men onderscheid maken tussen aanbieding gekoppeld aan het theorie examen (i.e., UK, Nederland), aanbieding gekoppeld aan het praktijkexamen (i.e., Victoria, Nieuw-Zeeland) en aanbieding na afname van theorie- en praktijkexamen (overige Australische staten).
 
Het merendeel van de reeds bestaande testen voor gevaarherkenning beperken zich niet tot de deelvaardigheden van het scannen, lokaliseren en identificeren van risico’s, maar beschouwen eveneens de evaluatie van het risico en van het vermogen tot handelen, alsook de afweging van het subjectieve risico en de beslissing tot handelen. 
 

Beleidsaanbevelingen voor de toekomst

  1. Voorzie in een progressief toenemende mate van zelfstandigheid bij het behalen van een definitief rijbewijs: eerst oefenen onder begeleiding (Leerfase), dan oefenen onder restricties (Oefenfase), vervolgens verder vervolmaken (Vervolmakingsfase) en daarna op regelmatige wijze en doelgericht (her)opfrissen (Eeuwig Leren fase).
  2. Zorg voor een logisch opgebouwd curriculum met formele eindcompetenties en ondergeschikte leerdoelen om een leertraject mogelijk te maken dat in het verlengde ligt van de GDE-matrix en dat minder complexe vaardigheden doet voorafgaan aan meer complex (hogere orde) vaardigheden.
  3. Verleng de doorlooptijd van de oefenstage zodat rijvaardigheden voldoende geautomatiseerd kunnen worden. Voorkom eveneens dat kandidaat-bestuurders te vroeg alleen mogen rijden (bij voorkeur niet voor de leeftijd van 18 jaar). 
  4. Probeer kandidaat-bestuurders, lekenbegeleiders en professionele instructeurs meer als een team te laten samenwerken.
  5. Zorg voor voldoende professionele vorming en omkadering van kandidaat-bestuurders en hun lekenbegeleiders in het uitbouwen en doorlopen van een goed gestructureerd en voldoende gevarieerd leertraject. 
  6. Ondersteun het eigenlijke leerproces bijvoorbeeld via voertuigsystemen die het rijgedrag van kandidaat-bestuurders registreren en door middel van feedbackplatformen een periodiek rapport van rijpatronen bieden.
  7. Integreer de hogere orde vaardigheden in de opleiding. Een vervolmakingsfase volgend op het behalen van een voorwaardelijk rijbewijs kan hieraan gedeeltelijk tegemoetkomen indien men de gepaste pedagogische methoden inzet (feedbackritten, psychologische groepsdiscussie, coaching sessies op oefenterrein, e.d.) en afziet van eenmalige initiatieven die zich louter concentreren op de beheersing van technische vaardigheden.
  8. Besteed voldoende aandacht aan risicoperceptie vaardigheden binnen de opleiding. Dergelijke vaardigheden kunnen mits gepaste trainingsmethoden verbeterd worden en blijken een positief effect te hebben op de verkeersveiligheid van jonge en onervaren bestuurders.
  9. Stem de examinering af op de eindcompetenties en leerdoelen waar de rijopleiding zich op richt. Besteed daarbij voldoende aandacht aan hogere orde vaardigheden en risicoperceptie
DownloadPDF icon RA-2016-003.pdf
Lijn

Missie

Het Steunpunt Verkeersveiligheid voert in opdracht van de Vlaamse overheid beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek uit over verkeersveiligheid. Het Steunpunt

Verkeersveiligheid is een samenwerkingsverband tussen de Universiteit Hasselt, de KU Leuven en VITO, de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek.

Partners

Leuven vito