Terug
RapportnummerRA-2005-52
TitelLetsels, blootstelling en risicofactoren voor kinderen als zwakke weggebruiker (fietser of voetganger)
Ondertitel
AuteursPascal Lammar
UitgaveSteunpunt Verkeersveiligheid 2002-2006
Aantal pagina's92
Datum24/01/2005
ISBN
Taal van het documentNederlands
Partner(s)VUB
WerkpakketAndere: Kennis verkeersonveiligheid
Samenvatting

Kinderen lopen een hoog risico om gedood of gewond te worden bij een verkeersongeval als zwakke weggebruiker. Verkeersletsels vormen bovendien de belangrijkste doodsoorzaak voor kinderen. Vooral de 5-14-jarigen zijn volgens de internationale literatuur bijzonder kwetsbaar als voetganger of fietser. Hoewel men in de internationale literatuur over het algemeen terugvindt dat vooral de leeftijdscategorie 5-9-jarigen erg kwetsbaar is voor voetgangersongevallen en de leeftijdscategorie 10-14-jarigen voor fietsersongevallen, wordt deze bevinding slechts ten dele bevestigd door de Belgische verkeersongevalstatistieken. Bij de voetgangers blijkt er immers bijna geen verschil meer in ongevalsbetrokkenheid tussen de leeftijdscategorieën 5-9-jarigen en 10-14-jarigen. Bij jonge fietsers wordt de piek voor 10-14-jarigen ook in Vlaanderen/België teruggevonden, gebruikmakend van ziekenhuisgegevens. Wanneer men gebruik maakt van de verkeersongevalstatistieken is de piek bij 10-14-jarigen minder uitgesproken. Dit verschil zou kunnen verklaard worden door onderregistratie van fietsers jonger dan 14 jaar, zoals ook in de internationale literatuur wordt teruggevonden.

 

Wanneer de evolutie van het aantal slachtoffers beschouwd wordt gedurende de laatste 5 jaar, op basis van de Belgische verkeersongevallenstatistieken, kan gesteld worden dat het aantal 5-14-jarige voetgangersslachtoffers slechts licht afneemt. In 2001 is er bovendien terug een stijging op te merken in vergelijking met 2000. De daling van het aantal 5-14-jarige fietsersslachtoffers over de laatste 5 jaar is daarentegen meer uitgesproken. Dit is vooral het geval voor het aantal doden en ernstig gewonden, minder voor het aantal lichtgewonden.
 

Deze hoge ongevalbetrokkenheid van kinderen resulteert uiteraard in het oplopen van letsels. Over het algemeen kan gesteld worden dat jonge voetgangers en fietsers voornamelijk hoofdletsels en letsels aan de onderste ledematen oplopen. Een belangrijk verschil in het letselpatroon tussen jonge voetgangers en fietsers betreft de vaststelling dat de bovenste ledematen frequenter gewond worden bij fietsers dan bij voetgangers. Jonge voetgangers die gehospitaliseerd worden, vertonen dikwijls dijbeenbreuken ten gevolge van contact met de autobumper. Hersenschuddingen treden zeer frequent op bij jonge voetgangers en fietsers, in het bijzonder bij de 5-9-jarigen. De over het algemeen hogere letselernst bij voetgangers verklaart het verschil in de hospitalisatieduur, die bij jonge voetgangers gemiddeld 5 à 6 dagen bedraagt tegenover 2 à 3 dagen voor jonge fietsers.

 

Bij beschouwing van de expositie van kinderen blijkt dat Vlaamse jongeren vaak gebruikmaken van de fiets om naar school te gaan. Het zijn de kinderen van het secundair onderwijs die het meest de fiets gebruiken voor de woon-schoolverplaatsing. Kinderen van het lager onderwijs gaan daarentegen vaker te voet naar school. De evolutie van de expositiecijfers geeft aan dat het aandeel fietsers in het secundair onderwijs nog toeneemt. Opvallend is ook de daling van het aandeel kinderen dat te voet naar de school gaat, vooral bij kinderen van het lager onderwijs. Wanneer alle verplaatsingen worden beschouwd, blijkt dat de fiets meer gebruikt wordt voor verplaatsingen tijdens een schooldag, terwijl meer gewandeld wordt tijdens weekends en vakantiedagen. De meeste verplaatsingen, evenals het grootst aantal fietskilometers, worden afgelegd door 13-15-jarigen.

 

Rekening houdende met de stijging van het gebruik van de fiets bij woon-schoolverplaatsingen is de daling van het aantal fietsslachtoffers succesvol te noemen. De niet-significante daling van het aantal jonge voetgangersslachtoffers daarentegen geeft aanleiding tot bezorgdheid rekening houdende met de sterke daling in expositie die vooral bij de woon-schoolverplaatsingen optreedt. Het gebrek aan informatie betreffende de expositie tijdens het buiten spelen is een zwakte bij interpretatie van de evolutie van de aantallen slachtoffers. Om deze leemte op te vullen, wordt hierbij aanbevolen om een goede methodologie te ontwikkelen voor het meten van de blootstelling van kinderen tijdens het spelen op of nabij de straat.

 

Tal van risicofactoren worden in de internationale literatuur aangehaald in verband met ongevallen of letsels bij jonge voetgangers en fietsers. De belangrijkste risicofactoren uit het literatuuronderzoek werden ondergebracht in verschillende categorieën: persoonsgebonden risicofactoren, tijdsgerelateerde risicofactoren, ontwikkelingsgerelateerde risicofactoren, gedragsmatige risicofactoren, socioeconomische risicofactoren, omgevingsgerelateerde risicofactoren, bestuurdersgerelateerde risicofactoren en andere risicofactoren.

 

De persoonsgebonden, tijdsgerelateerde, ontwikkelingsgerelateerde en socioeconomische risicofactoren vormen risicofactoren waaraan men niet onmiddellijk iets kan veranderen. Kennis hiervan is echter van belang o.m. in het kader van het uitvoeren van preventiecampagnes. De gedragsmatige, omgevingsgerelateerde en bestuurdersgerelateerde risicofactoren zijn daarentegen wel risicofactoren waarop men min of meer ‘direct’ kan inspelen.

 

In de literatuur is men het er niet steeds over eens welke risicofactoren nu het belangrijkst zijn. Omgevingsfactoren blijken echter meer en meer aangehaald als zeer belangrijke risicofactoren.

 

De belangrijkste persoonsgebonden risicofactoren zijn de leeftijd en het geslacht van de kinderen. De kwetsbaarste leeftijd voor jonge voetgangers zou zich voor België eerder situeren tussen 5 en 14 jaar en voor jonge fietsers tussen 10 en 14 jaar. Bij zowel jonge voetgangers als fietsers blijken jongens meer betrokken te raken bij ongevallen dan meisjes. Dit zou grotendeels kunnen verklaard worden door het verschil in expositie, in combinatie met hoger risicogedrag.

 

De tijdsgerelateerde risicofactoren geven aan dat in de periode na de winter meer ongevallen optreden. Bij voetgangers lijkt voornamelijk de periode maart-juni belangrijk; bij fietsers de periode mei-oktober. Wat betreft het tijdstip van het ongeval is voornamelijk de periode in de late namiddag/vooravond (15-19u) zeer belangrijk, zowel op school- als op niet-schooldagen.

 

De ontwikkelingsgerelateerde risicofactoren onderstrepen de ‘van nature’ grote kwetsbaarheid van kinderen wegens het onvoldoende ontwikkelde vermogen om met verkeer om te gaan, vooral tijdens hun eerste 9 of 10 levensjaren. Het is pas vanaf een leeftijd van 14 jaar dat het cognitieve en motorische ontwikkelingsproces redelijk is afgerond en dat een kind zich min of meer op een betrouwbare manier in het verkeer kan bewegen. Sommige ontwikkelingsprocessen zoals de snelheid van informatieverwerking en het inzicht in complexe situaties lopen zelfs door tot een leeftijd van 15-16 jaar.

 

De belangrijkste gedragsmatige risicofactoren zijn risicovol (speel)gedrag, ongeschikt oversteekgedrag, ongeschikt fietsgedrag, fietsen op het voetpad, impulsief gedrag en onoplettendheid, de aanwezigheid van vrienden bij het maken van verplaatsingen of het buiten spelen en het gebrek aan beschermend gedrag, zoals het dragen van een fietshelm.

 

De belangrijkste socioeconomische risicofactoren zijn een lage socioeconomische status (lage inkomens, laag onderwijsniveau, hoge werkloosheidsgraad en een hoog aandeel families levend onder de armoedegrens), grote huishoudens (meer personen per huishouden), hoge bevolkingsdichtheid van kinderen, groot aantal kinderen met alleenstaande ouders (moeder), hoge woningdensiteit en een hoog aandeel niet-blanke kinderen. Deze verbanden blijken sterker te zijn voor jonge voetgangers dan voor jonge fietsers.

 

Typische kenmerken van gebieden met een hoge frequentie van ongevallen met kinderen (omgevingsgerelateerde risicofactoren) zijn: hoog niveau van doorgaand verkeer, lange en rechte straten, aanwezigheid van eenrichtingsstraten, aanwezigheid van visuele obstakels (zoals geparkeerde voertuigen), gebrek aan speelpleinen en open ruimte, aanwezigheid van kruispunten, aanwezigheid van oversteekvoorzieningen, afwezigheid van vrijliggende fietspaden en afwezigheid van wegen met gescheiden dubbele rijbanen. Verder is ook het verkeersvolume, in combinatie met snelheid een belangrijke risicofactor. Tenslotte worden ook veel ongevallen waargenomen op wegen met meerdere rijstroken, op lokale wegen in woongebied en binnen de bebouwde kom.

 

Bestuurdersgerelateerde risicofactoren omvatten o.m. de leeftijd en het geslacht van de bestuurder, vermoeidheid, gebruik van alcohol, te snel rijden gegeven de omstandigheden, onvoldoende aandacht schenken aan de aanwezigheid van kinderen op of nabij de weg.

 

Andere risicofactoren vormen o.m. de verplaatsing van en naar school en de voertuigsnelheid. Bij deze risicofactoren zijn er ook nog een aantal specifiek te onderscheiden voor voetgangers en fietsers. Voor voetgangers gaat het om het aantal voetgangers en de aan- of afwezigheid van toezicht. Voor fietsers betreft het de fietssnelheid, het gebruik van een te grote fiets en onvoldoende onderhoud van de fiets. Verder gebeuren bij jonge fietsers opvallend veel ongevallen tijdens het rechtdoor rijden op een kruispunt en bij het links afslaan.

 

In een volgend rapport zal een overzicht gegeven worden van de preventieve maatregelen terzake en hierbij zal teruggekoppeld worden naar deze risicofactoren om eventuele verbeteringen te suggereren en/of mogelijke leemtes op te vullen.

DownloadPDF icon RA-2005-52.pdf
Lijn

Missie

Het Steunpunt Verkeersveiligheid voert in opdracht van de Vlaamse overheid beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek uit over verkeersveiligheid. Het Steunpunt

Verkeersveiligheid is een samenwerkingsverband tussen de Universiteit Hasselt, de KU Leuven en VITO, de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek.

Partners

Leuven vito