Terug
RapportnummerRA-MOW-2008-002
TitelAngstgerelateerde uitsluiting van mobiliteit
OndertitelDeel 1 – Literatuurstudie over bronnen van angst met uitsluiting van mobiliteit als gevolg
AuteursKarin Van Vlierden
UitgaveSteunpunt MOW, spoor Verkeersveiligheid 2007-2011
Aantal pagina's62
Datum01/05/2008
ISBN
Taal van het documentNederlands
Partner(s)PHL
WerkpakketAndere: Risicobepaling
Samenvatting

Uitsluiting van mobiliteit

De mogelijkheid om zich te verplaatsen van de ene plaats naar de andere is niet alleen onontbeerlijk voor het uitvoeren van alledaagse activiteiten zoals persoonlijke verzorging en levensonderhoud, maar ook voor het deelnemen aan het maatschappelijke en sociale leven. Door middel van verplaatsingen kunnen immers persoonlijke, sociale, werkgerelateerde en ontspanningsnoden en –wensen te vervuld worden.
 

Mensen of huishoudens die niet volledig kunnen participeren aan het maatschappelijke leven – omdat ze letterlijk en figuurlijk geen toegang hebben tot jobs, diensten, faciliteiten of sociale netwerken die daarvoor nodig zijn – lijden onder sociale uitsluiting.
 

Veel verschillende processen kunnen sociale uitsluiting veroorzaken en ertoe bijdragen. Slechte of geen toegang tot transportmogelijkheden en dus tot mobiliteit is één van de mogelijke factoren die uitsluiting in de hand werken. Een gebrek aan transportmogelijkheden kan betekenen dat individuen afgesneden worden van werk en opleidings- of trainingsmogelijkheden, een beperkte toegang hebben tot gezonde en betaalbare voedingsmiddelen, tot primaire en secundaire gezondheidszorg en tot sociale diensten. Bovendien worden aan huis gebonden mensen afgesneden van vrienden, familie en andere sociale netwerken.
 

Niet alleen de mogelijkheid om van transportmiddelen gebruik te maken maar ook de kans om dit op zelfstandige basis te doen, is voor de levenskwaliteit van volwassenen én kinderen uiterst belangrijk.
 

De manieren waarop mensen uitgesloten kunnen worden van transport en zelfstandige mobiliteit zijn divers. In dit rapport bestuderen we de uitsluiting die veroorzaakt wordt door zorgen en angst. Deze gevoelens bepalen vaak hoe publieke ruimten, openbaar vervoer of andere vervoermiddelen gebruikt (kunnen of mogen) worden.
 

De emotie angst

De belangrijkste componenten van emoties zijn: de waardering van een stimulus, het gevoel van lust of onlust, somatische/fysiologische reacties, een mate van actiebereidheid en gedrag dat daaruit voortvloeit. Emoties – als afgeronde en op een stimulus gerichte processen – worden onderscheiden van stemmingen die een minder duidelijke oorzaak of object hebben. Wanneer iemand gemakkelijk geneigd is om een bepaalde emotie te ondervinden spreken we van een emotionele geneigdheid.
 

Angst is een natuurlijke en normale menselijke negatieve emotie, die het gevolg is van dreigend gevaar. De dreiging die angst uitlokt, kan zowel een gepercipieerde als een feitelijke bedreiging zijn en kan betrekking hebben op het persoonlijk welbevinden of op dat van naasten.
 

Gedragsimpulsen die het gevolg zijn van angst kunnen zich terugtrekken of zichzelf beschermen zijn. Aangeleerde angst voor een situatie of stimulus levert de beweegkracht om dit gevaar in de toekomst te vermijden. In die zin is het een belangrijk overlevingsmechanisme. Angst kan echter ook problematisch zijn, in de vorm van een angststoornis of fobie. Ze interfereert dan significant met het alledaagse functioneren.
 

Belangrijke bronnen van angst blijken de volgende te zijn: dood en fysieke verwondingen, het onbekende, dieren, kritiek en falen, sociale interactie en medische aangelegenheden.
 

Wanneer mensen beschermd zijn tegen externe gevaren en/of er geen enkele dreiging, agressie of geweld van anderen aanwezig is, spreken we van veiligheid. Dit is een objectieve staat die voortvloeit uit de feitelijke situatie waarin mensen zich bevinden. Een gevoel van veiligheid – de subjectieve veiligheid – kan gedefinieerd worden als de innerlijke toestand van zich veilig voelen. Dit is een heel belangrijke basisbehoefte van alle mensen. Beleving van veiligheid of onveiligheid heeft een cognitief, een affectief en een conatief aspect.
 

In de Engelstalige literatuur maakt men soms een onderscheid tussen “security” (afwezigheid van delinquentie, afwezigheid van wanorde en goede openbare ordehandhaving) en “safety” (persoonlijke bescherming tegen ongevallen en verwondingen). Beide soorten veiligheid zijn relevant in het domein van mobiliteit en transport.
 

Angst als bron van uitsluiting van mobiliteit

De vormen van angst die mobiliteitsbeperking met zich kunnen meebrengen worden in zes categorieën ondergebracht: angst voor misdaad, angst na het hebben van een ongeval, angst bij zwakke weggebruikers, angststoornissen, gebrek aan vertrouwen, en angst van ouders met betrekking tot hun kinderen.
 

Angst voor misdaad is de emotionele reactie die opkomt door misdaad of door symbolen die een persoon associeert met misdaad, tegen hemzelf of tegen anderen. Deze angst komt op bij het buitenshuis zijn, vaak in een stedelijke omgeving, wanneer men alleen is en zich persoonlijk kwetsbaar voelt. De meest genoemde slachtoffers van angst voor misdaad zijn vrouwen, ouderen, (kans)armen, etnische minderheden en mensen die reeds het slachtoffer waren van een misdrijf. De vervoerswijzen waarin mensen het meest onderhevig zijn aan angst voor misdaad blijken openbaar vervoer en verplaatsingen te voet te zijn. Angst voor misdaad zorgt ervoor dat mensen die deze vervoermiddelen gebruiken vaak voorzorgen nemen (bijvoorbeeld vermijden om alleen te reizen, vermijding van bepaalde plaatsen/routes/haltes). Indien mogelijk worden de gevreesde vervoermiddelen geheel gemeden. Voor wie geen alternatief heeft, betekent dit laatste echter vaak gedwongen thuis blijven.
 

Net zoals het slachtoffer zijn van een misdrijf de angst voor mogelijke toekomstige misdrijven vergroot, heeft het betrokken raken in een ongeval vaak een grotere angst voor mogelijke toekomstige ongevallen tot gevolg. Bij sommige slachtoffers ontstaan er ingrijpende angststoornissen, die hun leven en gewoontes grondig in de war kunnen sturen. We bespreken twee van deze stoornissen, namelijk acute/posttraumatische stressstoornis en fobische reisangst. Deze stoornissen blijken meer voor te komen bij vrouwen dan bij mannen, bij passagiers in vergelijking met bestuurders en bij motor- of scooterrijders in vergelijking met automobilisten. Posttraumatische stressstoornis lijkt bovendien bevorderd te worden door een ernstige persoonlijke impact die mensen ondervinden van een ongeval. Voor beide stoornissen zijn vermijdingsgedrag en/of ernstig ongemak tijdens het reizen een cruciaal kenmerk. Het dagelijks functioneren van wie lijdt aan deze stoornissen wordt dan ook vaak ernstig belemmerd. Sociale uitsluiting kan een gevolg zijn van de gewijzigde mobiliteitssituatie.
 

Ook zonder dat ze zelf een ongeval ervaren hebben, kunnen – vooral zwakke – weggebruikers omwille van onveiligheidsgevoelens en angst voor ongevallen bepaalde vervoermiddelen mijden. Verkeersonveiligheid is één van de factoren die fietsen en wandelen belemmeren. In sommige gevallen zijn automobilisten zwakke weggebruikers in vergelijking met vrachtwagenbestuurders. En motorrijders zijn weliswaar gemotoriseerd, maar door hun enorme kwetsbaarheid vaak het slachtoffer van ernstige ongevallen. Een specifieke angst die ouderen vaak in hun verplaatsingen te voet of met het openbaar vervoer belemmert, is angst om te vallen. Indien men door het mijden van bovenstaande vervoermiddelen zijn activiteiten moet beperken of zelfs reizen die echt noodzakelijk zijn moet afzeggen, is sociale uitsluiting wederom mogelijk.
 

Naast posttraumatische stressstoornis en fobische reisangst bespreken we andere angststoornissen die uitsluiting van mobiliteit met zich mee kunnen brengen. Net zoals bij posttraumatische stressstoornis en fobische reisangst het geval is, heeft vermijdingsgedrag ten gevolge van paniekaanvallen en agorafobie een grote impact op de mobiliteit van personen die eraan lijden. Karakteristieke situaties die gemeden worden, zijn immers zonder begeleiding buitenshuis zijn, zich te midden van een massa bevinden of in een rij wachten, op een brug staan, en reizen met een bus, trein of auto. De vermijding brengt met zich mee dat het reizen beperkt wordt. Een specifieke vorm van reisangst is de angst om zelf een auto te besturen. Angst voor ongevallen, maar ook paniekstoornis/agorafobie, sociale fobie (angst om voor gek te staan) en faalangst kunnen eraan ten grondslag liggen. Het lijken vooral vrouwen te zijn die lijden aan rij-angst.
 

Gebrek aan vertrouwen in de eigen rijvaardigheid is ook een vaak geciteerde reden voor oudere bestuurders (zowel mannen als vrouwen) om te stoppen met rijden of het rijden te verminderen. Daardoor worden hun mogelijkheden tot mobiliteit vaak drastisch ingeperkt. Voor sommige reizen die ouderen willen of moeten maken, hebben ze immers geen alternatief. Openbaar vervoer als alternatief is voor sommige van hen uitgesloten omwille van fysieke beperkingen. En zelfs indien ze fysiek nog wel in staat zijn om deze vorm van vervoer te gebruiken, is dit voor veel ouderen een nieuwe vorm van transport die evenzeer vertrouwen in eigen kunnen vereist. Daar laten ze zich – samen met mogelijke gebruikers die jonger zijn – eveneens door afschrikken.
 

Ondanks het grote belang dat zelfstandige mobiliteit voor kinderen heeft, blijkt in de praktijk dat kinderen steeds minder alleen op straat of onderweg mogen zijn. Ouders laten hen niet zo vaak toe hun vrije tijd buiten door te brengen, de verplaatsingen naar school te voet of met de fiets te doen of zonder begeleiding het openbaar vervoer te gebruiken. Vaak ligt angst hieraan ten grondslag. Dit kan zowel angst voor verkeersongevallen als angst voor misdaad zijn. Vooral jonge kinderen (lagere schoolleeftijd) en meisjes zijn hiervan het slachtoffer. Naast leeftijd en geslacht van de kinderen spelen ook omgevingskenmerken, kenmerken van de ouders en sociale druk met betrekking tot begeleiding van kinderen een rol.
 

Onderzoek van angst en angstgerelateerde uitsluiting van mobiliteit

Angst kan alleen gemeten worden door het bevragen van de emotionele reacties die door bepaalde situaties of stimuli worden uitgelokt. Visie op de ernst van een probleem, intolerantie ertegenover en inschatting van het eigen risico om slachtoffer te worden zijn geen goede maten van angst. Angst wordt bovendien het best bevraagd door middel van reële situaties uit het dagelijks leven van de bevraagden. Hypothetische vragen moeten daarom zoveel mogelijk achterwege gelaten worden.
 

Onderzoek naar sociale uitsluiting tengevolge van beperking van mobiliteit gaat echter niet alleen over de mate waarin de bevraagden verschillende vormen van angst ervaren, maar ook over de gedragsgevolgen van die angst. Vermijdingsgedrag in specifieke transportgerelateerde situaties staat daarin centraal.
 

Voor sommige angststoornissen kan gebruik gemaakt worden van gestandaardiseerde psychiatrische meetinstrumenten.
 

Angst/onveiligheidsbeleving en de gevolgen ervan worden het best beschreven door middel van een combinatie van kwantitatief en kwalitatief onderzoek.

DownloadPDF icon RA-MOW-2008-002.pdf
Lijn

Missie

Het Steunpunt Verkeersveiligheid voert in opdracht van de Vlaamse overheid beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek uit over verkeersveiligheid. Het Steunpunt

Verkeersveiligheid is een samenwerkingsverband tussen de Universiteit Hasselt, de KU Leuven en VITO, de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek.

Partners

Leuven vito